Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Iedere zaterdagmorgen staan we lekker fris en vroeg op en mijn zoontje van bijna twee begint het al te snappen. Na het aankleden wordt hij wat onrustig en als ik vraag “ga je  mee brood halen?”, dan loopt hij naar de deur van hal en roept ‘mám, mee, jas aan, laarzen aan”. Dan nemen wij samen de pas naar de bakker bij ons om de hoek.

Inmiddels ‘rijdt’ mijn zoontje mee op zijn loopauto en we hebben de pas er aardig in. Vaak zien we dezelfde mensen lopen, zij volgen blijkbaar een vergelijkbaar zaterdagmorgen patroon en het geroep en gezwaai van Hidde zal ze inmiddels bekend voorkomen. Deze zaterdagmorgen worden we op de voet gevolgd door een man op leeftijd, heeft er ook goed de pas in de is voor ons tot op dat moment een nog onbekende. We zijn al op de stoep die rechtstreeks naar het bakkerswinkeltje leidt. En ik denk op dat moment “wie zou er eerder zijn, hij of wij? Wat gaat hij doen, haalt hij ons in of blijft hij achter ons lopen, zodat we in deze volgorde de winkel van de bakker binnenlopen?”. Op dat moment draait Hidde zich om en stopt zijn auto, “hallooo” luidt het enthousiast. De man is misschien geen  kinderen gewend en zet zijn pas zelfs versneld door, buigt zijn hoofd iets naar beneden en glimlacht met geperste lippen, maar houdt zijn blik vastbesloten op de stoeptegels. Hij ziet zijn weg vrij, en pakt als eerste het handvat van de deur, de wedstrijd is gelopen...

Na een korte discussie over het wel of niet meenemen van de auto in de winkel gaan we naar binnen. Hidde rent voor mij uit naar de balie en op hetzelfde moment dat onze ‘inhaler’ wil bestellen zie ik mijn zoon vlak voor de bakkersvrouw staan en begint hard te roepen “koekie, mag ik koekie?”. En natuurlijk is het mijn beurt om Hidde te vertellen dat hij even geduld moet hebben en ik kan het niet nalaten om hem even in te zetten als ‘spreekbuis’ om mijn ergernis te ventileren..”even wachten schatje, deze meneer is eerst aan de beurt en dan pas mogen wij, meneer was namelijk net iets eerder in de winkel dan wij”. Hidde kijkt opzij en lacht de man toe en het is wederom “hallooo”, maar de man kijkt stuurs naar de dame achter de balie en de verbeten glimlach blijft als gebeiteld op z’n gezicht, een glimp van zijn tanden kunnen we echt vergeten.

Mijn gedachten dwalen tijdens het wachten even af naar de man. ‘Hoe zou het komen? Waarom vermijdt hij het contact en laat hij zogenaamd beleefd zien dat hij geen zin heeft in een vriendelijk woord en vooral bang is om niet als eerste aan de beurt te zijn?” Wat is de betekenis van zijn ‘omdat het moet, pers ik mijn lippen op elkaar alsof er een papiertje tussen is gelegd, maar mijzelf prijsgeven, dat doe ik niet’. Ach misschien droeg zijn moeder hem wel op bij een bezoekje aan zijn oma “kom op, lachen en doe alsof het leuk is, niet zeuren, huppekee”. Dit is wellicht de oorsprong van zijn pokerface en de ontdekking van zijn overlevingsmechanisme.

Natuurlijk kan ik alleen maar raden naar de beweegredenen van onze ‘botoxman’. De vraag is of hij zich bewust is van het duidelijke signaal dat hij aan ons heeft afgegeven.  Maar laten we eerlijk zijn, als wij onze buurvrouw van 75 jaar groeten op het garagepad laten wij toch niet meer zien dan 2 streepjes van lippen aangevuld met een licht knikje voor de beleefdheid? Wat denken we toch allemaal dat we netjes zijn naar onze naasten.

In het vervolg krijgt u van mij alles of niets en alles daartussenin laat ik in het vervolg achterwege, wel zo duidelijk. De vraag is echter of dit de wereld beter maakt. Misschien weten we stiekem best dat mensen vanuit beleefdheid de waarheid verdoezelen. Ik bedoel, zegt u altijd eerlijk dat u geen zin heeft in het feestje en niet kan komen? Of is toevallig de baby net ziek geworden, ja dat kan zo snel gaan met kinderen…