Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

De wereld van tjuh.

“En, hoe is het met ons Leonietje?” Met deze vraag werd ik vorige week geconfronteerd tijdens een bezoek aan een opdrachtgever. De man in kwestie had mij net verwelkomd en een stoel aan zijn tafel aangeboden. Ik ging zitten en op het moment dat hij de vraag stelde, bleef hij nog even bij het ronde bureau staan  waaraan we een gesprek zouden voeren. Bijna als vanzelfsprekend beantwoordde ik de vraag met “het gaat goed met mij, dank je wel en hoe gaat het met jou?”. Zo kon ik de bal toch snel weer terug spelen en had ik tijd gewonnen om te bedenken waarom ik een vervelend gevoel kreeg bij de manier waarop hij de vraag aan mij stelde.

Leonietje, Leonietje, ons Leonietjuh… Het was overduidelijk wie de positie met de meeste macht had. De man liet mij erg duidelijk weten hoe hij de rollen had verdeeld en dit reeds vóórdat we aan ons daadwerkelijke gesprek waren begonnen. Ik voelde dat ik op mijn hoede moest zijn. Was ik tijdens onze vorige afspraak te ‘wijsneuserig’? Het maakte nu niet uit, ik voelde op dat moment aan mijn water dat ik alert moest zijn, want er was iets, maar wat?

Het gesprek viel mee. Ik speelde het spel en deed er alles aan om de man het gevoel te geven belangrijk te zijn. Hij kreeg wat hij wilde:
”Inderdaad zeg, dat is een goede vraag, volgens mij heb je een punt….”
“Goh, interessant dat je dat zo zegt, zo heb ik het eigenlijk nog nooit bekeken…”

Het hier en daar ‘pappen en nat houden’ hielp! Blijkbaar moest ik mijn rol wat bijstellen en het werd mij duidelijk welke aanpak het beste paste. Het type ‘onzeker, maar veel bla bla’. En binnen het ‘zaken doen’ is het toch vaak zo dat de één net iets meer in de melk te brokkelen heeft dan de ander. ‘Lucky him’, pech voor mij… Toch had ik de strijd voor mij gevoel gewonnen, want bij het weggaan noemde hij mijn naam, zoals ik deze van mijn ouders had meegekregen, niets meer en niets minder.

Eenmaal thuis vertelde ik natuurlijk over het ‘incident’ en plofte neer op de bank. Al gauw gaat het gesprek weer over op de dagelijkse beslommeringen en bespreken wat we samen met onze gasten van aanstaande zaterdag gaan eten. Op hetzelfde moment bedenk ik me dat ik morgen nog naar de kapper wil en de afspraak met een leverancier die ochtend zal zeker tot een uur of één duren. Dus ik gooi een balletje op naar mijn vriend: “Hoe zit jij morgen met je agenda? Heb jij misschien nog een gaatje om een paar boodschapjes te doen?”. En dan kijkt hij mij aan, maar het antwoord komt er niet. Op gepaste, doch zekere toon herhaalt hij mijn woorden “gaatjuh? Boodschapjus?”

Oké, oké, ik ben dus zelf geen haar beter als het gaat om het uit zenden van verpakte bedoelingen. We proberen te verzachten, te kleineren en te betuttelen en dat alles om te onze zin te krijgen. We worden ermee groot gebracht, want op het moment dat mijn zoon(!) van twee vraagt: “Mam, mag ik een koekjuh”, dan kan ik dat toch niet weigeren? Zolang er nog babytjus worden geboren en reclame wordt gemaakt voor een biertjuh, blijven wij met z’n allen rondjes draaien in de wereld van tjuh.